Beekrombout

beekrombout11

Herkenning

De Beekrombout is een middelgrote, krachtige libel van rivieren en brede beken. Net als de andere rombouten is hij opvallend geel en zwart gekleurd, maar hij heeft als enige geheel zwarte poten. De Beekrombout sluipt rond half mei uit het water en kan dan soms massaal worden aangetroffen langs wateren waar ze in de oevervegetatie hangen te drogen. Als ze zijn opgedroogd verspreiden de juveniele beesten zich en kunnen tot twee kilometer afstand van het water, jagend worden aangetroffen langs houtwallen, bossen en ruigtes.

Leefgebied

Het areaal verspreidt zich van West-Europa tot aan de Oeral. Na een flinke achteruitgang komt de Beekrombout vanuit het oosten weer ons land binnen. Hij komt nu in het oosten en zuiden voor langs brede beken en rivieren met een hoog zuurstofgehalte en die niet te rijk zijn aan nitraten en fosfaten. Incidenteel is ook voortplanting in grote stilstaande wateren van zand- en grindwinningen, waar door golfslag op de kale oevers, een soortgelijke waterkwaliteit is. In de stromende wateren moeten voldoende bochten en ondiepe gedeeltes voorkomen waar fijn sediment en organisch materiaal wordt afgezet. Hier kunnen de larven gedurende drie jaar zich voeden. Als volwassen libel, heeft hij windluwe begroeide plekken nodig langs het water om uit te harden en binnen een straal van 2 kilometer voldoende opgaande beplantingen die rijk zijn aan insecten.

Inrichting

Natuurlijke en dynamische wateroevers met wisselende waterstanden zijn een geschikt leefgebied voor de larven van de Beekrombout.

  • Stimuleer Waterschappen met natuurontwikkeling langs rivieren, beken en stromende watergangen. Stel grond beschikbaar om hier natuurlijke oevers en een natuurlijk waterpeil mogelijk te maken;
  • Geef ruimte aan natuurlijke meanderende beken en watergangen. Accepteer of stimuleer erosie en sedimentatieprocessen;
  • Haal oeverbeschoeiing (hout of steen) weg als dat kan, zodat hier een dynamische oever kan ontwikkelen;
  • Zorg voor een goede waterkwaliteit. Dus gebruik geen of minimaal meststoffen en bestrijdingsmiddelen die via slootjes in beken en rivieren komen;
  • Door bossen en bosjes met elkaar te verbinden door aanleg van nieuwe houtwallen, singels, hagen en dergelijke kunnen de Beekrombouten op de windluwe plekken jagen op insecten;
  • Maak structuurrijke ruigtes en struwelen in de buurt van grote waterplassen, beken en rivieren. Door extensief beheer en/of geen beheer ontstaan op de zonnige kant van bestaand bos en houtwallen prachtige ruigtes met veel insecten;
  • Ga in het voorjaar (tijdens het uitsluipen van de larven) geen oevers maaien of baggeren.

Beheer

Maaien en kappen van kruiden, ruigtes en houtige opstanden kunnen het beste in het najaar worden gedaan als de libellen niet meer vliegen. Het schonen en uitbaggeren van watergangen kan erg nadelig zijn voor de larven zelf, maar ook hun biotoop kan hierdoor ongeschikt worden. Gefaseerd, dus jaarlijks, een gedeelte doen is een betere optie.

Verspreiding in Overijssel

Het zwaartepunt van de verspreiding in Overijssel ligt vooral in het oosten, in Twente. Door het hoogteverschil hebben de beken hier nog voldoende verval en daardoor veel stroomsnelheid en dynamiek. Vooral de Dinkel, Buursebeek en Schipbeek zijn geschikt. Door de verbeterende waterkwaliteit worden de laatste tijd ook andere wateren geschikt. De Vecht en de Regge worden inmiddels ook gekoloniseerd. Op de kaart zijn ook zandwinplassen, vistrappen en enkele andere kansrijke beken ingetekend. Het leefgebied ligt gemiddeld tot 500 meter van het water af.


Terug naar planten en dieren in overijssel