Laagveenlandschap

Laagveenlandschap, Michiel Pothof

Wat zie je?

In het noordwesten van Overijssel zie je heel verschillende landschappen, allemaal ontstaan vanuit een ooit onbewoonbaar moeras. De mens heeft dit gebied langzamerhand in gebruik genomen en geschikt gemaakt voor gebruik en bewoning. Op sommige plekken is er sprake van een weids, vlak en grasgroen landschap waar het water hoog in lange en rechte sloten staat langs strookvormige kavels van soms kilometers lang. Op andere plekken is het land helemaal weggeslagen en zijn er grote plassen en meren ontstaan omringd door riet en bos. Of er is een fijn patroon ontstaan van smalle stroken land afgewisseld met sloten, zogenaamde ribben en weren, dat deels bebost is geraakt. Woningen liggen vaak in een lint langs kanalen en wegen. Water speelt in dit landschap een belangrijke rol!

Van ontoegankelijke moerassen...

Dit landschap is ontstaan doordat de mens een ooit onbewoonbaar moeras geschikt heeft gemaakt voor gebruik en bewoning. Dit moeras was ontstaan doordat na de laatste ijstijd de aarde opwarmde en de zeespiegel steeg. Hierdoor werd Nederland steeds natter. Onder deze natte omstandigheden ontstond in grote delen van Nederland veen. Dit gebeurde in eerste instantie alleen in de laaggelegen gebieden van Noord- en West-Nederland. Het proces van veenvorming ging echter heel lang door en het veen breidde zich uit, totdat rond 500 voor Chr. meer dan de helft van Nederland overdekt was geraakt met een dik pakket veen zoals is te zien op het onderstaande kaartje.

De veenmoerassen waren grote, vrijwel boomloze, onbewoonde en slecht toegankelijke, open vlaktes. Aanvankelijk werden deze veengebieden vooral gebruikt voor de jacht en de visvangst en voor de winning van turf voor eigen gebruikt. Tussen 950 en 1300 na Chr. zijn veel van deze uitgestrekte veenmoerassen in Nederland op grote schaal en systematisch ontwaterd en in gebruik genomen als landbouwgrond.

500vc ex leg 800

... naar landbouwgronden

Ontginning van het veen gebeurde vanuit een basis, meestal een waterstroompje. Haaks op dit stroompje werden sloten gegraven om het veen te ontwateren. Deze sloten werden meestal op een regelmatige afstand van elkaar gegraven zodat er een regelmatig patroon van lange, smalle percelen veen ontstonden. Boeren die zich hier vestigden, kregen het recht van opstrek: alle grond in het verlengde van hun perceel waren ook hun eigendom.

Na ontwatering zakt een veenpakket sterk in: het veen wordt compacter (inklinken), waardoor er sprake was (en nog steeds is!) van bodemdaling tot wel een meter per eeuw. Hierdoor werden de gronden steeds natter waardoor akkerbouw onmogelijk werd. Er werd dan weer een nieuw stuk grond ontwaterd, in het verlengde van de kavel, dat gebruikt werd voor de akkerbouw en het eerdere akkerland werd in gebruik genomen als grasland. Op deze manier ontstonden hele lange percelen van soms wel kilometers lang. Er kwamen zo enorm vee landbouwgronden bij, wat mede de motor is geweest van de Gouden Eeuw.

Sommige ontgonnen gebieden werden na verloop van tijd zo nat dat ze nergens meer geschikt voor waren. Men begon ze uit te baggeren voor de turf. Door deze zogenaamde natte vervening ontstonden plassen en meren, die soms nog groter werden door wind en golfslag. Na verloop van tijd ontstond hier riet, wat een belangrijke inkomstenbron is geworden voor veel boeren.

Waar vind je het laagveenlandschap?

Het laagveenlandschap ligt in het noordwesten van Overijssel. Het slagenlandschap van Staphorst en Rouveen met kilometerslange percelen is hiervan een belangrijk voorbeeld. In de Kop van Overijssel liggen de (natuur-)gebieden de Wieden en de Weerribben. Deze gebieden zijn ontstaan door de natte vervening. In de Wieden werd er zo roekeloos verveend dat er steeds grotere meren ontstonden die zelfs een aantal dorpen hebben verzwolgen. Toen men in de Weerribben begon te vervenen was dat daarom volgens strakke regels. Hier zijn de ribben en weren daarom nog goed te zien en is een meer gesloten landschap ontstaan.